Post-museum

De kenmerken van het modernistische museum welke volgens Hooper-Greenhill opnieuw worden vormgegeven in het postmodernistische museum, liggen op het gebied van hoe het object wordt gepresenteerd, de relatie met het publiek en met de kunstenaar (multistemmigheid) en de manier waarop er met de koloniale collecties wordt omgegaan. Eén van de sterke punten is het feit dat objecten in musea niet meer bekeken kunnen worden als op zichzelf staande feiten. De realiteit is geconstrueerd door middel van de context waarin een object wordt geplaatst. Een ander sterk punt is dat de communicatie binnen en buiten musea richting de doelgroep is veranderd. Ook de relatie met het publiek wordt in een ander licht bekeken, net als de museum pedagogiek. In plaats van kennis overdragen wordt het publiek en de kunstenaar betrokken bij het proces van tentoonstellen, kunst creëren en de evaluatie hiervan. Wat is kennis en hoe moet deze overgedragen worden? Dat zijn de vragen die binnen het kader van de reorganisatie van de cultuur van een museum ontstaan.

Waar het modernistische museum als zender van de feitelijke informatie fungeerde, het postmoderne museum tracht de emoties en het voorstellingsvermogen van de bezoekers te activeren.[1] Diversiteit en belevenis staan centraal. Het museum De Lakenhal kan als voorbeeld dienen om te demonstreren hoe de moderne kunstenaars in het proces van het maken van kunst voor het museum hierbij worden betrokken, een kenmerk van een postmodernistisch museum. De kop van het persbericht vertelt over het postmodernistische karakter van het museum : “Museum De Lakenhal vraagt kunstenaars en ontwerpers om een reeks bijzondere opdrachten te realiseren, als bijdrage aan de museale vernieuwing’. [2]

En dan komt het punt van dekolonisatie. De verborgen geschiedenissen van de moderne museums zijn geopenbaard in de postmoderne museums. Dominante verhaallijnen die waren gecanoniseerd door de modernistische musea worden ondervraagd in de

postmodernistische musea.


Een ander punt is dat de postkoloniale samenlevingen het herzien van de collecties vereisen, het bezit ervan en de houding er tegenover. [3] (Voorbeeld: het Mauritsmuseum).

Wat haar gedachtegang kan ondervragen is de kwestie betreffende een eventueel beperkt ‘vocabulaire’ van de bezoeker. Mensen uit andere culturen dan de Westerse kunnen bijvoorbeeld een totaal andere interpretatie aan een object geven vanuit en door hun eigen culturele achtergronden. Er is toch enige culturele kennis vereist, de kennis van terminologie (woorden ‘vorm’ en ‘stijl’ komen niet in alle culturen voor), symboliek (Christelijke heiligen). Men moet toch enigszins op de hoogte zijn van de Westerse kanon om een bepaald ‘vocabulaire’ op te bouwen.

[1] Eilean Hooper-Greenhill. Museums and the interpretation of visual culture, 143. [2] “Lakenhal”, de website van het museum De Lankenhal, het persbericht van Minke Schat . “Museum de Lakenhal vernieuwt met kunstopdrachten”, geraadpleegd op 14 december 2020. [3] Eilean Hooper-Greenhill. Museums and the interpretation of visual culture, 150.

3 views0 comments